top of page
Wortels Achtergrond edited_edited.jpg

Fata Luce

Het is stil in Fata Luce, het oudste stadje in de regio. De zon brandt op de verdroogde straatjes. Hotel Stato Selvatico staat aan het grote marktplein, in volle vergane glorie. Victor duwt de vale entreedeur open. Binnen in de hal is het koel. Hij groet de portier en loopt door de lobby richting de eetzaal, zijn voetstappen klinken luid op de marmeren vloer. De eetzaal was ooit de balzaal waar het visgraatparket moet hebben geglommen onder honderden dansschoenen. Het is een hoge, langwerpige ruimte, met aan weerszijden ionische zuilen. Langs de rand staan gedekte tafels met versleten pluche stoelen. Tussen de zuilen vormen grote palmen een natuurlijke afscheiding tussen het eetgedeelte en het grand café in het middendeel met daarin intieme zitjes. De zaal heeft een indrukwekkend plafond met drie glas-in-lood koepels in diverse tinten blauw. Recht onder de grootste koepel staat een vleugel. Het is druk als Victor binnenkomt, maar achterin is een tafeltje vrij. Hij loopt langs de pianist die zoals gewoonlijk met gesloten ogen zit te spelen.  

   Wijn, eerst een glas wijn. Zijn handen trillen als hij een fles Barolo bestelt. Terwijl Victor wacht op zijn wijn, valt het hem op hoe soepel de handen van de oude pianist spelen, met die lange, benige vingers. De muziek is zacht, onopvallend, maar intens. De tonen golven de zaal in, subtiel versnellend en op het hoogste punt even ingehouden om daarna uit te rollen naar een nieuwe beweging. Victor spant zijn buikspieren, klemt zijn kiezen op elkaar, concentreert zich op een ader in het marmeren tafelblad. Niet hier, niet nu, niet hier. 

   De fles wijn arriveert en Victor drinkt zijn glas in twee teugen leeg. Het volgende glas ontspant zijn kaken en het derde geeft een warm gevoel in zijn maag dat zich verspreidt naar zijn borst. Hij kalmeert. 

  

Het geluid van de telefoon maakt hem wakker. Victor doet zijn ogen open, een bos warrig haar ligt naast hem. Oh Jezus, is ze er nog? Ze heeft een tatoeage van een klavertje vier op haar schouder. Het rinkelen houdt aan. Hij werpt het laken terug, komt met moeite zijn bed uit en wankelt half slapend naar de woonkamer. 

   ‘Victor, Léon hier. Waar zat je al die tijd, man?’ 

   ‘Druk.’ Hij wrijft een korstje slaap uit zijn ooghoek. ‘Hoe laat is het?’ 

   ‘Half tien. Heb je mijn berichten niet gehoord?’ 

   Het warrige hoofd kijkt om de hoek van de deur, haar mascara is uitgelopen onder haar ogen. Ze gebaart of ze kan douchen. Hij wuift haar kort weg. ‘Ja, nee, wanneer heb je die ingesproken?’ 

   ‘Iedere dag. Wanneer denk je terug te komen, we lopen over van het werk. Ik dacht dat je wat schetsen zou sturen? Lees je je email ook niet?’ 

   ‘Ik heb wat liggen, ik stuur het vandaag naar je op. Ik moet hangen.’ Hij hoort zijn broer nog wat roepen terwijl hij ophangt. De zon schijnt fel naar binnen door het open raam. Bij de bank liggen de kledingstukken verspreid over de vloer tussen de lege flessen. Hij trekt zijn broek aan en loopt naar de slaapkamer waar hij de kleren van de signorina op het bed legt. Zijn keel is rauw en in de keuken vult hij een glas water. Hoewel het water troebel is, drinkt hij het in twee slokken op. Hij laat zich vallen op het enige bankje in de kamer, hij heeft hoofdpijn en voelt zich brak. Vandaag is het één jaar twee maanden en elf dagen. 

   De signorina loopt met natte haren de kamer in. Ze komt naast hem zitten en kust hem op zijn schouder. Ze heeft smalle voeten met blauw gelakte teennagels. Buiten toetert een auto, iemand roept iets terug. Ze zitten een paar minuten zwijgend naast elkaar. ‘Ik ga maar,’ zegt ze en staat op. Ze pakt een pen en een opengescheurde envelop van tafel. 

   Terwijl ze wat op de envelop schrijft, probeert Victor zich te herinneren waar ze de groep vriendinnen met wie ze uit was, waren kwijtgeraakt. Zijn ze daarna niet naar Luigi’s geweest? Zijn hoofd dreunt. 

   Zij werpt hem een kushand toe en loopt richting de deur. ‘Ciao bello.’ 

   ‘Ciao, ‘k zie je wel weer.’ Twee tellen later valt de voordeur dicht. Victor pakt de envelop. Angela staat er boven een mobiel telefoonnummer en een smiley. Hij legt hem op het stapeltje andere namen op de hoek van het aanrecht. 

 

Eén jaar twee maanden en dertien dagen. Zijn broekriem moet weer een gaatje strakker. Victor trekt de deur van de koelkast open. Een kuipje margarine, een stuk beschimmelde kaas, twee flesjes bier. In de kast ligt een halve zak muesli, een pak pasta, een fles olijfolie en een restje koffie, te weinig om een kop van te zetten. 

   Hij moet even naar buiten, de hele middag staren naar het scherm van zijn laptop zonder dat er iets uit zijn handen is gekomen, heeft hem nog duffer gemaakt. Eigenlijk zou hij ook even langs zijn huisbaas moeten lopen, de lekkage in de badkamer wordt steeds erger. Morgen. 

   Victor loopt door de smalle straatjes omhoog naar het grote marktplein. Ver beneden rolt de zee loom het smalle strand op. De baai is bezaaid met zeilbootjes. Fata Luce is gebouwd tegen een steile berg die direct vanuit de zee oprijst. De huizen liggen als oesters aan de rotswand verankerd, droog en verbleekt door de felle zon. De rode en paarse bloemen van de bougainvillea’s zijn overal zichtbaar, tere crêpepapieren bloemen met grote verborgen doorns. De ondergaande zon geeft het stadje de wonderlijke gloed waar het haar naam aan te danken heeft. 

   Op het plein gaat hij het Stato Selvatico binnen. Het is op dit uur niet druk in de eetzaal, in het middendeel zijn wat tafeltjes bezet. Hij bestelt een truffelrisotto en een glas Nebbiolo. De risotto smaakt hem niet en Victor duwt het halfvolle bord van zich af. Hij drinkt zijn glas leeg en bestelt een espresso toe. Tussen de palmbladeren door ziet hij de pianist spelen. Aan het tafeltje naast de vleugel zit een vrouw met haar rug naar Victor toe, een cellokoffer naast haar. Hij vraagt zich af of ze gaat samenspelen met de pianist. Oh Christus, als er maar geen violist bij is. Niet vanavond. Snel drinkt hij zijn koffie op en verlaat het hotel.  

 

Het licht komt in kleine reepjes onder de gordijnen door. Hij doet zijn ogen open en meteen weer dicht. Laat het maar nacht blijven. Hij trekt het laken over zijn hoofd, zijn maag trekt zich steeds strakker samen, maar zijn benen voelen slap. Opstaan, ik moet opstaan, ontbijten en naar buiten. Gewoon even melk halen, houdt hij zichzelf voor, maar zijn lichaam blijft willoos liggen. Zijn leven hier heeft de verkeerde cadans, hij houdt het tegen. De chaos moet blijven, hij kan de regelmaat en de opbouw van zijn leven niet toelaten, hij kan niet meedoen aan wat zich buiten afspeelt. De muur verschijnt weer, hoog en harder dan graniet. Hij doemt over hem heen, sluit hem in. Hoewel hij de tranen onherroepelijk voelt opkomen, probeert hij niet te huilen. Hij weet dat als hij eenmaal begint, hij de storm niet meer kan beteugelen. Hij balt zijn vuisten, schuurt zijn hoofd tegen het kussen. Niemand kan hem horen roepen, de wereld feest en bruist achter de muur. 

   Uren later valt hij met een dreunend hoofd en opgezette ogen eindelijk in slaap. 

  

De druppels vallen ritmisch in de douchebak. Victor staat op en legt een handdoek onder de kraan om het geluid te dempen. Als hij in de spiegel kijkt, ziet hij een bleek en vermagerd gezicht met sliertig halflang haar. Het anders zo verzorgde nonchalante baardje is nu een verloederde landlopersbaard. Hij zet de douche aan, maar krijgt alleen een straal koud water. Rillend wast hij zich en laat de afgelopen dagen van zich afspoelen. Hij scheert zich, trekt een spijkerbroek en een zwart overhemd aan en haalt de bezwete lakens van zijn bed. De berg vuile was gooit hij in de badkamer bij de wasmachine. Eén jaar twee maanden en negentien dagen, houdt het ooit op? 

   De wandeling naar de markt en het ontbijt onderweg vullen hem met nieuwe energie. Hij wil zelfs ‘s middags naar het strand, even met zijn voeten in het koele water, de zon op zijn huid voelen. Hij was toch niet voor niets helemaal hiernaartoe gekomen. Het klimaat, de omgeving, de nieuwe gezichten zouden hem op moeten beuren. Niet vergeten, maar met rust laten. Op tijd slapen, goed eten. Minder drinken. Deze mantra heeft de laatste maanden door zijn hoofd gezongen. Maar toch. 

  

‘We hebben u een paar dagen gemist, signore,’ zegt de serveerster terwijl ze de tafel afruimt. ‘Espresso toe? Van het huis,’ en ze knipoogt naar hem. Ze heeft ondeugende ogen. 

   Victor glimlacht. ‘Dank je, ik neem de koffie daar,’ en hij knikt met zijn hoofd naar een tafeltje in het middendeel, niet ver van de pianist. De muziek is vol en zwoel, net als het zuchtje wind dat door de zaal waait. Wanneer hij naar zijn plek loopt, ziet hij een paar tafels verderop de vrouw met de cello weer, een opengeklapt boek op het tafeltje waaraan ze zit. Deze keer kan hij haar gezicht zien, ze is jonger dan hij dacht. Ze staart afwezig naar het glaasje dat ze in haar hand heeft. Het is een sierlijk glaasje van geslepen kristal. De poot is langer dan van een doorsnee glas en de kelk loopt als een opengaande bloem uit naar boven. Al het servieswerk in het hotel is een elegant samenraapsel dat de tand des tijds heeft doorstaan. Victor heeft nog niet een dag hetzelfde type bord of glas gekregen. Maar in het Stato Selvatico klopt het. Zijn espresso wordt met een indringende blik van de serveerster in een lichtgeel kopje met een zwarte schotel geserveerd. 

   Een hoog, nauwelijks hoorbaar gilletje haalt hem uit zijn gedachten. De celliste houdt haar bebloede hand op, het glaasje ligt aan stukken op de tafel. Victor staat meteen op en is met een paar passen bij haar. Hij pakt haar hand en haalt er een scherf uit. Voorzichtig tast hij naar splinters, maar vindt er geen. Hij pakt een nog opgevouwen servet van tafel en drukt die op de snee. 

   ‘Het valt wel mee, denk ik,’ zegt hij wanneer hij het servet even optilt. 

   ‘Ik heb het glas fijngeknepen.’ Haar opmerking klinkt als een vraag. 

   Victor gaat op de stoel naast haar zitten en houdt het servet in haar handpalm gedrukt. 

   ‘Zou je vanavond spelen?’ 

   ‘Nee, ik heb gerepeteerd en ik kom hier alleen even wat drinken en luisteren naar de muziek.’ 

   Het valt hem op hoe fijn haar handen zijn. Ze heeft lange, dunne vingers met verzorgde nagels en draagt een ring met een roosje erop. Ondanks het eelt op de toppen door het spelen op de dikke snaren van haar instrument, zijn haar vingers zacht en soepel. Hij houdt het servet op haar handpalm gedrukt. 

   De serveerster komt en veegt het glas op. Ze kijkt Victor nauwelijks aan als hij een nieuw glas voor de celliste en zichzelf bestelt. 

   ‘Ik heet Gabriela,’ zegt ze en kijkt voor het eerst niet meer ernstig. Haar donkere haren zijn achter haar hoofd bij elkaar gebonden. ‘Speel je zelf ook een instrument?’ 

   ‘Nee, ik niet. Mijn zus wel, zij –’ Zijn stem blijft hangen boven hun tafeltje. De zaal is vol bezoekers, het gonst van de gesprekken om hem heen, hij gebaart naar de serveerster waar de bestelling blijft. Zijn blik kruist die van de pianist en blijft een seconde haken. Even denkt hij dat de oude man de toon te lang laat hangen, maar hij speelt alweer door. Victor begint te zweten. Hun wijn wordt gebracht en hij drinkt te gehaast. Zijn maag trekt zich samen. Gabriela kijkt hem ernstig aan. 

   ‘Ik ben zo terug,’ zegt hij en staat abrupt op waardoor hij bijna zijn stoel omvergooit. Haastig loopt hij naar het toilet. Hij houdt zijn handen onder de koude kraan en maakt zijn gezicht nat. De koelte kalmeert hem. Met zijn handen op de wasbak geleund haalt hij een paar keer diep adem. Het water druipt van zijn gezicht af, druppels vallen op het witte porselein van de wasbak. Zijn maag ontspant weer. ‘Meer eten’, zegt hij tegen het magere spiegelbeeld. 

   Als hij terugkomt, staat Gabriela naast de tafel met de cello voor zich. ‘Ik moet ervandoor.’ 

   ‘Nu al? Laat me je helpen, je hand –’ en hij pakt de grote koffer op.

   Gabriela probeert hem over te nemen, maar Victor is vastberaden. Hij draagt het instrument voor haar uit naar buiten. 

   ‘Woon je ver?’ vraagt hij als ze voor het hotel staan. 

   Ze schudt haar hoofd. ‘Een kwartiertje lopen maar,’ en strekt haar arm uit naar de koffer. 

   ‘Ik loop met je mee. Als je dat niet erg vindt.’ 

   Gabriela haalt haar schouders op. ‘Va bene.’ 

   Hij slaat de draagbanden over zijn schouder. Zwijgend lopen ze naast elkaar door de donkere straatjes van Fata Luce. Ze dalen verder af, via steile straatjes en trappen, langs huizen met bloempotten voor de deuren. Onderaan de berg ruist de zee kalm, de verkoelende lucht verspreidt zich over de stad. Boven hen staan sterren aan de onbewolkte hemel, de dunne sikkel van de maan is nauwelijks zichtbaar. 

   Aan de voet van het stadje, van de zee gescheiden door doornige struiken en scherpe rotsen, staan ze voor de deur van haar woning.

   ‘Dank voor het dragen,’ zegt ze en neemt de cello over.

   Victor is bang dat ze zal knakken onder het grote instrument. Ze haalt een sleutel uit haar broekzak en opent de deur. Op de drempel draait ze zich om. ‘Hoe heet je eigenlijk?’ 

   ‘Victor.’ 

   ‘Ciao, Vittorio.’ 

  

Drie keer in de week komt Gabriela na de repetities wat drinken in het hotel. Victor komt haar eerst bij toeval tegen, daarna begint hij erop te rekenen. Hij kijkt uit naar haar ernstige gezicht, de verbaasde glimlach wanneer ze hem ziet, naar de strak achterover getrokken haren, haar klassieke gezicht met die typisch Romeinse neus. Zwijgend drinken ze hun koffie, een glas Nebbiolo, en luisteren naar de droomachtige muziek die uit de vleugel komt. Soms leest ze hem een passage voor uit het boek van een Siciliaanse schrijver dat ze aan het lezen is. Victor heeft moeite met het Siciliaanse dialect, maar haar stem is genoeg om naar te luisteren. Hij zou de woorden die over haar lippen komen, willen kussen. Maar Gabriela is teer als een bloem van de bougainvillea die makkelijk scheurt als je haar plukt. 

Drie keer in de week draagt Victor haar cello door de nauwe straatjes van Fata Luce, tot aan haar blauwe voordeur. Wanneer ze de deur heeft opengemaakt, neemt ze haar instrument over. Drie keer in de week zegt ze ‘Ciao, Vittorio,’ en gaat ze alleen naar binnen. 

  

De regen heeft alle stof in Fata Luce weggespoeld. Het water stroomde in woeste rivieren langs de straten naar beneden, volgde kolkend de bochten in de weg, alsof God zelf met emmers vol regenwater grote schoonmaak had gehouden. Het miezert nog steeds, de klamme hitte is verdreven en er waait een koele bries tussen de huizen. De zee slaat onrustig op de kust. Voor de derde keer die avond loopt Victor de eetzaal van het Stato Selvatico binnen. Bij de ingang blijft hij staan, zijn blik schiet door de ruimte. Ze is er niet. De oude man achter zijn vleugel knikt met een kort gebaar naar de achterkant van de zaal. Victor steekt het grand café door, langs de pianist die alweer met gesloten ogen zit te spelen. De muziek is drukkend. De bas speelt een diepe golvende beweging terwijl de rechterhand gejaagd heen en weer gaat, de tonen dalen en stijgen, maar lijken de top op een haar na niet te halen. Iedere keer vallen ze vroegtijdig omlaag als een drenkeling in de zee die net niet zijn hoofd boven water kan houden. Eén jaar drie maanden en twaalf dagen. Maar niet vandaag, niet vanavond. 

   Gabriela zit te lezen bij het achterste tafeltje in de zaal. Ze draagt een gele zomerjurk die haar huid een mooie gloed geeft. Haar cellokoffer ligt op zijn kant langs de muur. Victor gaat bij haar zitten. 

   ‘Ciao Vittorio,’ zegt ze zonder op te kijken van haar boek. 

   Hij pakt haar hand en traceert het roze litteken met zijn vinger. Ze trekt niet terug. Hij legt zijn arm in haar hand, haar duim vouwt zich er omheen, tegen de binnenkant aan. ‘Speel een E.’ 

   Ze zet alle vier haar vingers op zijn arm, de pink drukt hard op zijn huid. 

   ‘Een Fis.’ 

   Ze schuift haar hand een paar centimeter omhoog. Haar fragiele wijsvinger en middelvinger maken een putje in zijn arm. 

   ‘Wil je wijn of regen?’ 

   Ze legt haar boek neer. ‘Regen.’ 

   De druppels tikken zacht op de koffer. Ze slenteren door de smalle straten, over pleintjes, en onder de kleine poorten die over de steile wegen gebogen staan. Ze lopen de gladde straat naar het strand af, voorzichtig de vele treden afdalend. Halverwege slaat het miezeren om in een heftige stortbui en boven de zee zien ze een bliksemschicht. Ze rennen de weg af en slaan haar straat in, langs de druipende bougainvillea’s. Voor haar deur laat ze bijna haar sleutel vallen en zo snel ze kan opent ze de deur. Victor zet de cellokoffer in het halletje neer. 

   ‘Mag ik komen schuilen?’ 

   ‘Ik ga niet met je naar bed.’ Ze draait zich om, trekt haar schoenen uit en loopt naar binnen. 

   Victor aarzelt even, maar volgt haar voorbeeld en loopt achter haar aan een kleine kamer in. Er staat een tweepersoonsbankje met een kleurig geweven doek eroverheen. Op de tafel in de hoek ligt een stapeltje papieren, een fles water met een beker en een vaasje met een paar roze bloemen erin. Midden in de kamer staat een rechte keukenstoel voor een muziekstandaard met bladmuziek, alsof ze tijdens een stuk opeens de deur uit is gegaan. 

   ‘Ga zitten,’ roept Gabriela vanuit het keukentje dat achter de kamer ligt. Ze komt terug met twee glazen wijn. 

   ‘Speel voor me.’ 

   Ze haalt haar schouders op en geeft hem zijn glas, maar gaat niet zitten. 

   ‘Ik heb wel je cello gedragen, maar hem nooit gehoord.’ 

   ‘Va bene.’ Ze pakt de koffer uit de gang en haalt de cello tevoorschijn. Een warm roodbruin instrument met een klassieke krul aan de bovenkant. Victor voelt zijn buikspieren aanspannen. Gabriela gaat zitten op de stoel en plaatst de cello tussen haar benen. Haar natte jurk plakt aan haar huid. Ze draait de haren van de strijkstok strak, en zet hem op de snaren. 

   ‘Een stuk van een Siciliaanse componist.’ Ze beweegt de strijkstok langzaam heen en weer. Diepe tonen vullen de kamer, vol en beladen. Haar vingers lopen katachtig over de snaren van de hals. Victor voelt zijn keel dichtknijpen, zijn maag krampt. De zachte muziek zwelt aan in een intens crescendo. De tonen klimmen, houden aan en laten los. Opeens is daar de lage bas die de vallende muziek oppakt en verder gaat met Arabisch klinkende intervallen. Victors handen zijn klam, zijn rug is bezweet. De muziek is zo indringend dat al zijn gedachten stilstaan. De laatste tonen die het stuk afsluiten klinken, hoog en vibrerend. Gabriela laat haar handen zakken. Victor zit bleek op de bank. 

   ‘Het is niet de muziek –’ stelt ze zacht.  

   Hij schudt zijn hoofd.  

   ‘En ook niet de cello –’ 

   Hij is bang dat ze zijn hart zal horen bonzen. Hij klemt zijn kaken op elkaar. 

   ‘Wat is het?’ 

   Het blijft een volle minuut stil in de kamer. Gabriela gaat rechtop zitten en begint zacht te spelen, uitnodigend, rustig. 

   ‘Mijn tweelingzus speelde viool,’ zegt hij schor. ‘Madeleine kon prachtig spelen. Ze speelde al vanaf ze acht jaar was. Jaren in een orkest. Ik ging vaak luisteren. We waren close, echt tweelingen. Ook toen ik uit huis ging, zagen we elkaar veel. Madeleine hield ons bij elkaar, mij en Léon, onze broer -’ 

   Gabriela speelt zacht, haar ogen gericht op de vloer voor zich. Wanneer Victor stopt met praten, laat ze haar vingers vlug over de hals lopen en de strijkstok gaat snel heen en weer. Daarna daalt ze weer af naar een rustig tempo. 

   ‘Vorig jaar waren we weer bij haar. Het was een warme middag. We zaten aan de cocktails, Madeleine zou koken. Ik vroeg of ze voor ons wilde spelen. Voor Léon hoefde het niet, maar ik drong aan en ze speelde. Zo mooi –’ Hij veegt met zijn hand over zijn ogen. 

   Gabriela laat de strijkstok traag heen en weer gaan. 

   ‘Midden in het stuk brak een snaar. Dat gebeurt bijna nooit, maar wel die zaterdag. Ik wilde dat ze doorging met spelen, mijn hoofd was licht van de cocktails, ik wilde niet dat ze stopte. Ik bood aan een snaar voor haar te gaan halen, maar had te veel op om te rijden. Madeleine is op de fiets naar de muziekhandel gereden –’ Victors stem is hees. ‘Dat is één jaar drie maanden en twaalf dagen geleden.’ 

   Gabriela laat de muziek langzaam wegsterven, eindigend op een lage D. Haar handen rusten op haar instrument. Ze kijkt Victor lang en ernstig aan. ‘Er is een Siciliaans gezegde: hij die muziek heeft, verjaagt zijn vijanden. Blijf luisteren, Vittorio.’ 

 

Er wordt op zijn deur geklopt. Victor blijft op bed liggen, de energie ontbreekt hem om naar de deur te lopen. Na een halve minuut wordt er weer geklopt, indringender. ‘Vittorio! Doe open.’ 

   Hij hijst zich overeind en trekt een spijkerbroek aan. Hij doet de deur van het nachtslot en ziet Gabriela staan. ‘Hoe weet je waar ik woon?’ zegt hij wat onhandig, zich bewust van de haveloze staat waarin hij verkeert. 

   ‘Fata Luce is een dorp, wist je dat niet?’ Ze houdt een papieren zak met fruit omhoog, in de andere hand draagt ze een plastic boodschappentas. ‘Laat je me nog binnen?’ 

   Victor stapt opzij en laat haar door. Ze loopt naar binnen, de gang door naar de kale woonkamer en het keukentje waar ze de tas op het aanrecht zet. ‘Hier, ik denk dat je dit wel kunt gebruiken.’ Ze pakt een gele meloen uit de zak en zoekt op goed geluk naar een mes en een snijplank. ‘Ik kom je halen, voor een picknick in de Kokkelbaai.’ Ze snijdt een stuk meloen af en geeft het aan Victor. ‘En daarna neem ik je mee, om te luisteren naar onze hotelpianist die samen met een harp en een fluit speelt in het openluchttheater.’ Ze geeft hem een ander stuk aan, geprikt op de punt van het mes. ‘Je moet gaan luisteren, Vittorio.’ 

   Victor voelt zich leeg en vodderig na de afgelopen dagen in bed. Zijn hoofd is duf. Hij verontschuldigt zich en gaat naar de douche waar nog altijd alleen koud water uitkomt en blijft eronder staan tot het kippenvel op zijn huid pijn gaat doen. Het koude water werkt louterend, iedere keer weer. 

   Nadat hij zich heeft geschoren en een schoon T-shirt heeft aangedaan, gaat hij terug naar de woonkamer. Gabriela is bezig met het inpakken van de picknick, ze heeft broodjes, een koude pastasalade en fruit. ‘Ik heb een fles wijn gekocht, of heb je liever eerst koffie?’ 

   Victor laat zich op de bank vallen. ‘Koffie. Graag.’ Hij sluit zijn ogen en luistert naar het branden van de gasvlam, het pruttelen van de percolator. Hij hoort haar voeten op de stenen vloer dichterbij komen. Ze komt naast hem zitten. 

   ‘Wat bracht jou eigenlijk naar Fata Luce?’ vraagt hij als hij zijn kop aanpakt. ‘Jij komt toch uit Sicilië?’ 

   Ze aarzelt even. ‘Ik kom uit Taurianova, in de voet van de laars. Daar verloor ik mijn muziek. Ik ben hierheen gekomen omdat het hier rustig is. Ik houd van de zee, het geklots van het water.’ 

   ‘Amoureuze perikelen?’ 

   Ze haalt haar schouders op. 

   ‘Was het een Siciliaan?’ 

   ‘De componist. Laurenzo. Laurenzo Lupo werd hij genoemd, de wolf. Ik dacht dat we voor altijd bij elkaar zouden blijven, onze muziek klopte.’ Ze neemt een slokje van de koffie. 

   ‘Maar hij kreeg een ander?’ 

   ‘Nee. Ik werd zwanger. Zo onnadenkend, zo onvoorzichtig. Maar toen Laurenzo het hoorde, liet hij me zitten. Hij nam zijn muziek en verdween. En ongehuwd zwanger in het zuiden –’ Ze staart in haar kopje. ‘Ik kon het kind niet houden, ik was maar kort zwanger -’ Ze drinkt haar kopje leeg en zet het op de vloer. ‘Daarna werd het stil in mij. En donker. Ik zocht het licht, en ik moest weer gaan spelen, niet wegzinken. Zo kwam ik in Fata Luce.’ 

   ‘Maar je speelt zijn muziek.’ 

   ‘Met zijn muziek kan ik hem verjagen. En bovendien is het te mooi om te laten liggen.’ Ze glimlacht. ‘Eigenlijk zou ik terug moeten gaan, ik ben hier al te lang.’ 

 

Victor brengt haar na het concert in het openluchttheater naar huis, voor het eerst heeft hij zijn handen vrij als hij de trappen naar haar straat afdaalt. Het waait vanaf zee, in het maanlicht zijn de aanrollende schuimkoppen duidelijk zichtbaar. De golven slaan onstuimig op de kust. Gabriela’s jurk klappert als een losgeslagen zeil van een boot beneden in de baai. 

   Ze draait het slot open en loopt naar binnen, maar laat de deur openstaan. Victor zet zijn schoenen bij de voordeur en loopt op blote voeten achter haar aan. Alleen het licht in de keuken brandt, hij hoort de koelkast open en dicht gaan. Bij het flauwe, indirecte licht pakt hij de cello en de strijkstok die naast de bank liggen en gaat op de stoel bij de standaard zitten. Hij strijkt voorovergebogen over de snaren. Een akelig gekras klinkt door de kamer. Gabriela komt binnen, neemt de strijkstok over en zet zijn vingers er op de juiste manier op. Ze gaat achter hem staan en terwijl ze met haar rechterhand de strijkstok begeleidt, bespeelt ze met haar linkerhand de snaren. Victor zet zijn vingers op de hare. De stok glijdt over de snaren en vormt een mooie toon. Hun handen spelen een eenvoudige wijs, een duet met één strijkstok. Hij voelt de warmte van haar gezicht bij zijn wang. Strak spelen ze in de maat, een kalm ritme, beheerst, zo houden ze hun muziek in bedwang. Er is geen ruimte voor een dissonant, die zou de muziek verstoren en stilte achterlaten. De stilte die hij na alle andere nachten heeft gevoeld. Hij moet blijven luisteren, de duistere spookbeelden verjagen, blijven doorspelen. De klanken die Gabriela voortbrengt houden zijn muren op afstand. Hij wil luisteren, blijven luisteren. En toch. Ze kussen. Eerst bijna per ongeluk, verontschuldigend op de lippen. Hij laat de strijkstok los en trekt haar dichter tegen zich aan, duwt zijn gezicht tegen haar jurk. Door de stof heen ruikt hij de zomeravondlucht op haar huid. Gabriela neemt de cello van hem over en legt die op zijn kant naast de stoel neer. De aandacht waarmee ze haar instrument hanteert ontroert hem. Voorzichtig pakt hij Gabriela vast en legt haar naast het instrument op de vloer. Hij komt bij haar liggen en streelt haar haren, haar gezicht, haar huid, kust haar vingers een voor een, haar handpalmen, haar blote arm van pols tot schouder. Kust haar benen. Behoedzaam trekt hij haar jurk uit, zijn eigen broek en shirt. Haar lichaam voelt warm tegen zijn huid. Het verbaast hem hoe krachtig haar tere lijf is, hoe sterk haar benen om hem heen geslagen zijn, hoe stevig haar vingers in zijn schouders duwen. Het doet pijn zich open te stellen, haar binnen te laten, maar dit is Gabriela. 

   Op de vloer, met zijn hoofd op haar borst, luistert hij naar hun zware ademhaling. Het is een uiting van vriendschap, een uitwisseling van kracht en troost. Van zweet en tranen. 

 

Victor komt thuis van een vruchteloos bezoek aan het Stato Selvatico. Hij had de telefoon buiten al over horen gaan. Net op tijd neemt hij op. ‘Pronto.’ 

   ‘Ik ben het, Gabriela.’ Ze spreekt zacht. ‘Ik bel je om te zeggen dat ik terugga naar Taurianova.’ 

   Victor blijft stil luisteren. 

   ‘Het wordt tijd dat ik mijn leven weer oppak daar.’ 

   Hij houdt de telefoon aan zijn oor, drukt zijn kaken op elkaar. 

   ‘Vittorio, luister je?’ 

   ‘Ja, ik ben er. Ik luister. Gabriela, wat –’ 

   ‘Dank je wel. Voor alles.’ Er klinkt geruis en een schelle toon. ‘Blijf luisteren, Vittorio. Ciao.’ 

  

Victor parkeert zijn auto langs de kant van de weg. Met opgerolde mouwen loopt hij traag het kustpad omhoog. Overal hoort hij geritsel in het lage struikgewas en zo nu en dan vliegt er een vogel op als hij langs loopt. Het stof op het pad laat een grijze waas achter op zijn schoenen. De takken met bloemen van de bougainvillea die hij meedraagt, houdt hij voorzichtig in zijn armen. Hij stopt als hij halverwege op een vlak stuk aankomt met uitzicht over de zee. Het azuurblauwe water ligt rimpelloos in het herfstlicht. Hij vervolgt zijn klim, zijn overhemd plakt aan zijn klamme rug vast. Bovenaan de heuvel stapt hij van het pad af en loopt tussen een groepje dennenbomen naar de rand van de klif. Het is vloed en het water klotst lui tegen de rotsen. Zo kalm heeft hij het water nog niet eerder gezien. 

   Victor legt de takken neer op de grond in het stof. Voorzichtig haalt hij de bloemen los en pakt een handvol op. ‘Dag lieve Madeleine,’ zegt hij zacht en werpt ze over de rand. Hij ziet ze landen en ronddrijven op de kleine golven. 

   Hij loopt een paar passen achteruit en gaat tegen de stam van een dennenboom in de schaduw zitten. Met gesloten ogen luistert hij naar het geluid van de insecten en het gemurmel van de zee. 

   Na een half uur staat hij op, klopt het stof en de naaldjes van zijn broek en loopt terug de heuvel af. 

© Mitzie Klumper — alle rechten voorbehouden

© 2026 Mitzie Klumper — alle rechten voorbehouden
bottom of page