
Toreador
Een spin met een dik lijf en zwarte poten loopt traag over de muur. Cor volgt het beestje met zijn ogen tot het binnen handbereik wandelt. Met de achterkant van een potlood drukt hij de spin langzaam plat, het lijf geeft even mee en barst dan open. Een geel grijze vlek met pootjes blijft achter op het behang. Hij veegt de achterkant van het potlood af aan zijn broek en legt het dan terug in de pennenbak.
Voor hem op het bureau ligt een plastic tas waar hij een reisgids uit haalt. Aandachtig bekijkt hij de voorkant, een gebruinde dame met een zonnebril lacht hem tegemoet. Hij slaat de brochure open en bladert tot hij het gedeelte over Spanje vindt. Diep inademend buigt hij zich voorover, alsof hij dat verre land zou kunnen ruiken. Hij bladert verder, langs goudgele stranden en luxe hotels. De veelbelovende plaatjes winden hem op, maar bezorgen hem tegelijkertijd buikpijn.
Cor is nog nooit weggeweest uit Nederland. Als kind gingen ze eens per maand op zaterdag naar de grote stad. In hun beste kleren reisden ze een uur met de bus. Ze kwamen dan langs de vetsmelterij waar zijn vader werkte, die dat telkens weer aanwees alsof het de eerste keer was. ‘Kijk, daar werk ik, zie je die schoorsteen, dat is van mijn werk.’ Het waren memorabele uitjes geweest. In de zomer gingen ze altijd met de hele familie een week naar de Veluwe. Later ging hij met zijn vrouw wel eens naar Zeeland maar Greet was ook geen reiziger. ‘Nederland heeft alles wat een mens wil,’ zegt ze altijd.
Maar Spanje, dat land heeft iets in hem los gemaakt.
‘Cor! Het is half negen!’ klinkt Greet van onderaan de trap. Cor rukt zich los van zijn reisgids en draait zich naar de deur. ‘Ik kom zo,’ roept hij terug. ‘Even wat afmaken.’ Hij hoort de deur beneden weer dichtgaan en haar hakken op de plavuizen klikken. Ze zal toch niet naar boven komen? Hij heeft geen idee hoe ze zal reageren, ze zal het niet snappen. Ze snapt toch al weinig van hem, ze begrijpt al helemaal niet dat hij nog altijd bij het slachthuis werkt en niet van plan is daar weg te gaan. Maar hoe kan ze het ook begrijpen. Het gevoel dat hij krijgt als hij de kippen ondersteboven aan hun poten aan de haken hangt en ze langs de messen ziet gaan. Hoe schitterend het systeem werkt, de koppen die doelmatig in één haal van hun nek gescheiden worden, het bloed dat in ijzeren bakken stroomt. De hele machine is erop gebouwd om de beesten zo snel en schoon mogelijk van alles te ontdoen en het vlees klaar voor de verkoop te maken. Maar het mooist vindt hij de koeien. Niets gaat boven het zinderende gevoel dat in hem bovenkomt als hij zo’n reusachtig dier ziet naderen. Het beest wordt tussen de ijzeren hekken gezet. Hij nadert haar en ziet hoe ze naar hem kijkt, hem strak in de gaten houdt. Hij weet dat zij het weet. Het is de indrukwekkende dans die hij met haar houdt, die alleen hij en zij zien, voelen. Hij beseft zich dat de koe hem op de horens zou willen nemen, ook al zijn die afgezaagd, maar hij is haar te vlug af, hij draait om haar heen, hun ogen houden contact. En dan opeens staat hij naast haar en zet hij het pistool met de dodelijke pin tegen haar kop, drukt de knop in en stort zij ter aarde.
‘Cor! Kom naar beneden!’ snerpt de stem van Greet weer door de gang.
‘Ik zei toch dat ik zo kom, ben bijna klaar.’
‘Thee, Cor, nu!’
Hij zucht. ‘Ja, ja.’ Zijn vinger glijdt over een glanzende bladzijde met warme beloftes. Opeens houdt de vinger halt. Daar staat het. Iedere donderdag en zaterdag, een heldhaftig gevecht tussen man en stier. Er staat een foto bij gedrukt van een schitterende, in goudkleurig pak uitgedoste toreador, en een zwarte stier met gekleurde degens die uit zijn schouders steken. Cor houdt zijn adem in. Vanaf het moment dat hij op televisie een documentaire over stierenvechten had gezien, had hij ervan gedroomd dit ultieme schouwspel een keer mee te kunnen maken. In het slachthuis was hij altijd degene die bij een stier de keel open sneed nadat de kolos gevallen was, hoewel dat altijd een beetje een laf bleef. Maar stierenvechten, het beest met zijn scherpe horens naar jou gericht te kunnen raken met je kleurrijke degens en het zo uit te putten dat je het de doodsteek met eigen kracht en techniek kunt toebrengen, dat deed zijn bloed kolken.
‘Cor! Nu!’
‘Ik kom eraan.’ Vlug doet hij de reisgids dicht en stopt hem terug in de plastic tas die hij in een la van het bureau legt. Eerst thee zetten voor Greet. En haar dan misschien in het weekend vertellen over de reisplannen. Misschien.
© Mitzie Klumper — alle rechten voorbehouden